Anne Frank Huis gered van de sloop

Originele tekeningen en de achtergrond bij het verhaal van de voorgenomen sloop van het Achterhuis in 1958.

De kracht van het persoonlijke verhaal.

Het dagboek van Anne Frank is nog steeds een van de meest gelezen boeken ter wereld. Dat geldt, in Nederland althans, evenzeer voor de verhalen over de fictieve hoofdpersonen uit Oorlogswinter van Jan Terlouw en Oeroeg van Hella Haasse.

Het is geen wonder dat deze persoonlijke verhalen over de Tweede Wereldoorlog en de dekolonisatie van Nederlands-Indië zo populair zijn. Ze ontroeren omdat ze de essentie van het leven heel nabij brengen. Ze gaan over moed en opoffering. Maar ook over de duistere kanten van de mens.

De tentoonstelling die u van 10-4 tot 20-5 in Bibliotheek Hilversum kunt bekijken is een weergave van zo’n persoonlijk verhaal: namelijk het verhaal van een aantal Amsterdammers die gestreden hebben om sloop van het Anne Frank Huis in 1958 te voorkomen.

Begin 1958 bestonden er inmiddels vergevorderde plannen om de hele hoek Prinsengracht rondom het Anne Frank huis te slopen om nieuwbouw te faciliteren. Anton Witsel (kunstschilder) was een van de tegenstanders en heeft zo veel mogelijk van de toenmalige situatie in het Achterhuis vastgelegd in zijn tekeningen. Een deel van die tekeningen ziet u hier. Zijn zoon Rob Witsel heeft samen met Hans Meenke de wacht gehouden in het pand om sloop en vernieling te voorkomen.

Rob Witsel:

“Er was niets heldhaftigs aan wat wij deden. Het was een koud en vochtig huis en volledig gestript. We hadden een olielampje mee en natuurlijk het schaakbord. In de avond werd er op de deur geklopt en stond er een Duits echtpaar voor de deur. Zij hadden gehoord over de aanstaande sloop en waren terstond naar Amsterdam getogen om het huis nog te kunnen zien. Door de aandacht die er in de krant en radio voor de actie kwam is het gelukt het Achterhuis te behouden met het huidige museum als uiteindelijk resultaat. Dat is goed, daar heb ik het graag voor gedaan.”
 

De betrokkenheid van Anton Witsel kwam mede doordat hij met zijn gezin tijdens de oorlogsjaren woonde op Nieuwe Keizersgracht 33. Boven in het pand bevond zich een schuilsynagoge. De familie Witsel hield een oogje in het zeil tijdens de diensten. Ook hiervan heeft Anton tekeningen en schilderijen gemaakt. Deze kunt u bekijken in Lounge.

Gered van de slopershamer

Het achterhuis van het Amsterdamse grachtenpand Prinsengracht 263 is tijdens de Tweede Wereldoorlog twee jaar lang een schuilplaats voor acht mensen. Zeven van hen zullen de oorlog niet overleven.

Nu is het een huis dat jaarlijks door ongeveer 1 miljoen mensen wordt bezocht. Het huis herinnert indringend aan die oorlog, aan de Joodse onderduikers die zich hier twee jaar lang verborgen houden voor de nazi’s, aan Anne Frank en het beroemd geworden dagboek dat zij hier schrijft.

Het pand aan de Prinsengracht 263, dat in 1960 voor het publiek toegankelijk wordt, is vandaag de dag een wereldwijd bekend museum. Het is het drukst bezochte grachtenpand van Amsterdam. Maar halverwege de jaren vijftig staat het op de nominatie om gesloopt te worden.

Nadat de acht onderduikers op 4 augustus 1944 zijn opgepakt, wordt enkele dagen daarna de door een draaibare boekenkast verscholen onderduikplek leeggehaald. Dat gebeurt in de oorlogsjaren met alle schuilplaatsen van Joodse onderduikers die zijn gearresteerd en weggevoerd. De gehele huisraad wordt meegenomen; alleen het dagboek van Anne wordt gered.

Als Otto Frank in juni 1945 als enige van de onderduikers terugkeert uit Auschwitz, is het achterhuis leeg en kaal. Samen met zijn medewerkers die hem en zijn familie in de oorlog geholpen hebben te overleven – Johannes Kleiman, Victor Kugler, Miep Gies en Bep Voskuijl – probeert Otto vanaf 1945 zijn bedrijven Opekta en Pectacon opnieuw op te bouwen. Het achterhuis blijft leeg.
 

Prinsengracht 263 en de aanpalende panden verkeren na de oorlog in slechte staat. De oude en slecht onderhouden grachtenhuizen zijn eigenlijk niet langer bruikbaar als bedrijfspanden. Textielfabriek Berghaus is in 1950 bezig met het aankopen van een aantal huizen op de hoek van de Prinsengracht en Westermarkt, met de bedoeling om deze te slopen en er een nieuw bedrijfsgebouw neer te zetten. Ook Prinsengracht 263 zal dan tegen de vlakte moeten.

Otto Frank heeft grote moeite met deze aangekondigde sloop. Hij huurt het pand van eigenaar Wessels (een handelaar in oud papier die het gebouw in 1943 heeft gekocht) en heeft met deze eigenaar afgesproken dat hij bij eventuele verkoop als eerste zaken mag doen. In 1953 koopt Opekta het pand van Wessels voor 22.000 gulden, maar geld voor een goede restauratie is er niet. Prinsengracht 263 zou dus gewoon in elkaar zakken als de firma Berghaus Prinsengracht 265 zou slopen, wat het al wel heeft aangekocht.

Met tegenzin verkoopt Otto Frank in 1954 zijn pand voor 30.000 gulden aan Berghaus. Sloop lijkt nu onvermijdelijk, te meer daar de firma Opekta in 1955 wordt overgeplaatst naar een ander pand in Amsterdam en de firma Gies & Co (de opvolger van Pectaton) wordt verkocht. Prinsengracht 263 staat nu helemaal leeg en verkrot zienderogen.

Het is aan een aantal bekenden van Otto Frank te danken – en aan de druk van de publieke opinie – dat Prinsengracht 263 gered wordt van de slopershamer. Het dagboek van Anne Frank is inmiddels wereldwijd bekend geworden. Er is een toneelstuk over gemaakt en een film is in voorbereiding.

Een comité van notabele Amsterdammers uit kringen van wetenschap en cultuur neemt het initiatief om het gebouw waar Anne haar dagboek schreef van de sloop te redden. In 1957 wordt de Anne Frank Stichting opgericht, eerst en vooral om het pand Prinsengracht 263 open te stellen voor publiek maar ook, zo staat in de doelstelling van de stichting, om de idealen van Anne Frank uit te dragen.

De firma Berghaus ziet af van zijn plannen voor een nieuw fabrieksgebouw op deze plek en schenkt in 1957, ter gelegenheid van haar 75-jarig bestaan, het pand Prinsengracht 263 aan de Anne Frank Stichting. De aanpalende gebouwen komen echter in handen van een projectontwikkelaar die op deze hoek van Prinsengracht en Westermarkt een woonflat van acht verdiepingen wil neerzetten.

Er volgen gesprekken en onderhandelingen van de stichting met de projectontwikkelaar om alle panden aan te kopen voor 350.000 gulden. De toenmalige burgemeester van Amsterdam, Van Hall, zet zich persoonlijk in om dit bedrag bij elkaar te krijgen. Hij schrijft een brief aan vijfduizend mensen en instellingen met een oproep om geld te storten.
 

De oproep van burgemeester van Hall om geld te storten voor het behoud van het Anne Frank Huis (de Volkskrant, 12 juni 1958).  

De oproep van Van Hall heeft gedeeltelijk succes; ruim de helft van het benodigde geld wordt bijeengebracht. Om behoud van Prinsengracht 263 toch mogelijk te maken, ontwikkelt de gemeente Amsterdam in 1958 in samenwerking met de Universiteit van Amsterdam het plan om op de hoek van de Prinsengracht en de Westermarkt een studentenhuis te bouwen. De Universiteit kan zorgen voor de voorfinanciering van dit studentenhuis en met dit geld het tekort van de Anne Frank Stichting aanvullen om het hele complex aan te kopen.

Op die manier kunnen de panden Prinsengracht 263 en 265 behouden blijven. Dit plan wordt na veel vijven en zessen ten uitvoer gebracht, het pand Prinsengracht 263 kan worden gerestaureerd en wordt op 3 mei 1960 geopend voor het publiek.

 

© Anne Frank Stichting
 

Schuilsynagoge Nieuwe Keizersgracht 33

Op Nieuwe Keizersgracht 33 werd tussen 1943 en 1945 het joodse religieuze leven in het geheim, en op zeer kleine schaal, doorgezet. Er was onder andere een 'schuilsynagoge' op een bovenetage, die toenmalige bewoner en tekenaar Anton Witsel in een reeks schetsen vastlegde.

Wat is hier gebeurd?

Omdat de Portugese synagoge (op het Mr. Visserplein) in de oorlog in het bezit kwam van de Duitsers werden op deze plek in het geheim diensten gehouden voor Nederlandse Joden. Deze schuilsynagoge was actief op zaterdagen en op Joodse feestdagen, vanaf het najaar 1943 tot aan de bevrijding van Nederland.

Vanaf 1941 werd het voor Nederlandse Joden steeds gevaarlijk om zich in het openbaar te vertonen. De kans werd steeds groter dat je als Jood werd opgepakt en op transport werd gezet. De Duitsers wilden dat Nederland vanaf 1943 ‘Judenfrei’ zou zijn, dat betekent dat er geen Joden meer in Nederland zouden wonen en leven. Het is dus voor te stellen hoe gevaarlijk het was om een dienst bij te wonen in deze schuilsynagoge. Toch kwamen hier in de laatste jaren van de oorlog een aantal Nederlandse Joden samen.

Op de benedenverdieping woonde Anton Witsel, hij was kunstenaar. Op 8 oktober 1944 maakte hij een tekening van een dienst. Tijdens deze dienst werd de bevrijding van de Joden uit Egypte herdacht, waarbij de Joden een lange tocht door de woestijn moesten maken. Deze herdenking wordt ook wel het Loofhuttenfeest genoemd. De tekening van Witsel is een bewijs dat deze plaats tijdens de oorlog werd gebruikt als schuilsynagoge. Witsel schreef ook de namen op van de aanwezigen.

Een van de figuren op de tekening van Witsel was Salomon Mendes Coutinho. Salomon was namelijk de bewoner van deze woning. Hier woonde hij samen met zijn vrouw Elisabeth.

Salomon was eerst de beheerder van een synagoge in zijn gemeente en later de beheerder van deze schuilsynagoge. Bij een van de laatste razzia’s (georganiseerde jacht op Joden) in mei 1943 werden Salomon en Elisabeth opgepakt door de Duitsers. Ze werden op het transport gezet naar Kamp Westerbork. Drie maanden later kwamen ze weer terug in Amsterdam. Elisabeth had namelijk een zogenaamd Ariërbewijs kunnen krijgen. Een bewijs dat verklaarde dat je geen Jood was. Dit was natuurlijk een valse verklaring. Dit bewijs hadden ze te danken aan hun buurman, Cees Teuscher. Hij vervalste vaker persoonsbewijzen tijdens de oorlog. Salomon en Elisabeth hebben allebei de oorlog overleefd. Voor hun inzet en moed zijn ze beiden na de oorlog geëerd.

Salomon woonde samen met zijn vrouw Elisabeth op dit adres. Vanaf 1943 hielden zij hier in het geheim diensten op zaterdagen en op Joodse feestdagen. Salomon leidde de diensten. Al voor de oorlog droeg Elisabeth de zorg voor de rituele reiniging van Joodse overledenen. Tijdens de oorlog ging zij hier mee door. In het diepste geheim was de kelder van dit pand ingericht als ritueel bad. Daar werden de lichamen van overleden Joodse onderduikers gereinigd en tijdelijk bewaard. Daarna werden de lichamen begraven op de Joodse begraafplaats in Zeeburg, 4 kilometer verderop. Dit moesten Salomon en Elisabeth ook in het geheim doen. Het begraven van Joden was namelijk verboden door de Duitsers.

Er bestaat een bijzonder verhaal over deze plek. Op Rosj Hasjana 1944 (het Joodse Nieuwjaar) werd er tijdens de druk bezochte dienst op de deur gebonsd. Elisabeth deed open en zag een SS-er tegenover zich. Hij had informatie doorgekregen dat hier geheime diensten voor Joden werden gehouden. Elisabeth bleef kalm en vertelde de Duitsers dat hij het adres waarschijnlijk verkeerd had doorgekregen. Ze wees hem door naar Keizersgracht 33, bij het Centraal Station. Ondertussen waren alle aanwezigen vanaf tweehoog het dak op gevlucht. Tot op de dag van de bevrijding is de schuilsynagoge actief gebleven. Volgens sommigen komt dat door de leeuw die over dit pand waakt.
 

Tentoonstelling: Anne Frank Huis gered van de sloop

Originele tekeningen en de achtergrond bij het verhaal van de voorgenomen sloop van het Achterhuis in 1958.
Te zien in de lounge van Bibliotheek Hilversum van 10 april tot 20 mei 2017

Gered van de slopershamer

Johannes Kleiman (links) achter zijn bureau in het kantoor aan de Prinsengracht.  

Otto Frank met het bestuur van de Anne Frank Stichting voor Prinsengracht 263 in mei 1957.  

Loofhuttenfeest op Keizersgracht 33-II op 8 oktober 1944. (Een van de figuren op de tekening van Witsel was Salomon Mendes Coutinho), tekening door Anton Witsel
Bron foto: Stadsarchief Amsterdam

 

De paspoorten van Salomon en Elisabeth.
Bron foto: Joods Historisch Museum, Amsterdam

 

De leeuw waakt over Nieuwe Keizersgracht 33-II
Bron foto: Joodsamsterdam.nl